H.J.E. van Beuningen Prijs

Namens de Stichting Het Nederlandse Gebruiksvoorwerp reikte Hendrik Jan van Beuningen op 14 april 2011 voor de vijfde maal de naar hem vernoemde H.J.E. van Beuningen Prijs uit.

De Stichting heeft als doel: "de bevordering van de kennis over het pre-industriële gebruiksvoorwerp”, in het bijzonder binnen het Nederlandse cultuurgebied, heeft deze prijs in 1991 ingesteld ter aanmoediging van onderzoek op dit gebied.

Eerdere prijswinnaars waren:

Arnold Carmiggelt, voor zijn talloze artikelen laatmiddeleeuwse archeologie; Sebastiaan Ostkamp, voor zijn artikel over monniksbekers; Irma Thoen, voor haar scriptie: Soo krijght altemet de gescheurde pot een deghelijck deksel …’ over 17e-eeuwse grapen met slibversiering als huwelijksgeschenken; Michiel Bartels, voor zijn boek: Steden in scherven; Loet Schledorn, voor zijn bijdragen aan de reeks: Delfts Aardewerk. Geschiedenis van een nationaal product;

en nu dus: Nina Jaspers, voor haar scriptie: "Schoon en werkelijk aangenaam" en twee artikelen in "Vormen uit Vuur".

Laudatio

Voor wat betreft Nina: Haar prijs is in de eerste plaats voor haar scriptie Schoon en werkelijk aangenaam. Italiaanse importkeramiek in Nederlandse bodem. De twee artikelen in Vormen uit Vuur vormden daarbij een doorslaggevende factor, omdat ze de belangrijkste resultaten van het onderzoek samenvatten en voor een groter publiek ontsluiten. Daarnaast vormt het artikel ‘Met de Franse slag. Franse compendiariofaience uit Nederlandse bodem (ca. 1600-1660)’ een verdere verdieping van het scriptieonderwerp. Naast Italië komt nu ook Frans tinglazuuraardewerk aan de orde.

Het belangrijkste resultaat van het onderzoek is de wetenschappelijke inkadering van enkele decennia van onderzoek naar Italiaanse importkeramiek in Nederlandse bodem. Hoewel er vooral in de jaren tachtig en negentig veel onderzoek is verricht naar deze groep importen, ontbrak het aan een evaluatie van dit onderzoek. Van grote groepen tinglazuuraardewerk werd wel aangenomen dat ze uit Italië afkomstig zouden zijn, een wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbrak echter. De grote groep van compendiariofaience werd doorgaans zonder meer aan Faenza, de geboorteplaats van deze stijlgroep, toegeschreven. Italiaanse onderzoekers verwierpen deze zienswijze en gingen ervan uit dat de Nederlandse vondsten veeleer in Nederland moesten zijn vervaardigd. Ook veel Nederlandse onderzoekers bleven stug volharden in een met name Haarlemse herkomst. De verschillende zienswijzen leken lange tijd onverenigbaar. Jaspers heeft de groep van het compendiario op basis van stilistische stijlkenmerken opgedeeld en aan de hand van Italiaanse opgravingsverslagen toegeschreven aan een veel breder scala aan productiecentra. Veruit de meeste producten blijken evenwel afkomstig te zijn uit één enkel productiecentrum: Ligurië. Van oudsher is bekend dat Albisola een belangrijke productieplaats van tinglazuuraardewerk is geweest en ook in Nederland zijn grote hoeveelheden importen uit deze plaats opgegraven. Het gaat daarbij vooral op zogenaamde Berritino en Ligurisch wit. Het onderzoek van Jaspers heeft echter op overtuigende wijze aangetoond dat ook een belangrijk deel van de compendiario uit Albisola afkomstig moet zijn. Het onderzoek is niet alleen onder Nederlandse archeologen met groot enthousiasme ontvangen, ook in Italië zijn de resultaten niet onopgemerkt gebleven.

Bij de totstandkoming van de publicatie van Vlissingen, Dokkershaven die vandaag gepresenteerd wordt, speelde Jaspers eveneens een belangrijke rol. Ze bewijst in deze publicatie onder meer het belang van de resultaten uit haar scriptie en geeft er verder blijk van dat ook het bredere archeologische onderzoek naar de materiële cultuur bij haar in goede handen is.

Kortom geheel in lijn met de richtlijn van de prijs die onderzoek naar de materiële cultuur van preïndustrieel Nederland wil stimuleren.

Onderzoeken die voor de prijs in aanmerking komen zijn publicaties in de vorm van boeken, dissertaties, artikelen en ongepubliceerde manuscripten alsmede masterscripties, die betrekking hebben op pre-industriële gebruiksvoorwerpen, binnen het Nederlandse cultuurgebied, in de meest ruime zin. Naast kunsthistorische studies komen ook cultuurhistorische, historische en archeologische studies in aanmerking, mits het pre-industriële gebruiksvoorwerp centraal staat. Zij dienen aan algemeen geldende wetenschappelijke eisen te voldoen en te getuigen van oorspronkelijkheid. Er is geen leeftijdgrens voor de deelnemende inzenders.

De jury bestond uit Jos Koldeweij en Sebastiaan Ostkamp vanuit de Stichting Het Nederlandse Gebruiksvoorwerp, Alexandra Gaba-van Dongen als conservator preïndustriële gebruiksvoorwerpen Museum Boijmans Van Beuningen en prof.dr. Jerzy Gawronski van de Universiteit van Amsterdam. De jury stond onder voorzitterschap van Christine Vaandrager-van Beuningen.

De H.J.E. van Beuningen Prijs bestaat uit een vrij te besteden bedrag van € 2.500,- en een oorkonde.








/